Opened
An initiative of The Kingdom Tribe (TKT)
Skip to content
Opened
Today
Ask
Read
Journey
More
John
John
9
NLD
BSB
A
a
Jesus
, person
Moses
, person
Siloam
, place
Dutch Bible 1917
Berean Standard Bible
1
NLD
En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af.
BSB
BSB:
Now as Jesus was passing by, He saw a man blind from birth,
2
NLD
En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden?
BSB
BSB:
and His disciples asked Him, “Rabbi, who sinned, this man or his parents, that he was born blind?”
3
NLD
Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.
BSB
BSB:
Jesus answered,
“Neither this man nor his parents sinned, but this happened so that the works of God would be displayed in him.
4
NLD
Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.
BSB
BSB:
While it is daytime, we must do the works of Him who sent Me. Night is coming, when no one can work.
5
NLD
Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht der wereld.
BSB
BSB:
While I am in the world, I am the light of the world.”
6
NLD
Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen des blinden;
BSB
BSB:
When Jesus had said this, He spit on the ground, made some mud, and applied it to the man’s eyes.
7
NLD
En zeide tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (hetwelk overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende.
BSB
BSB:
Then He told him,
“Go, wash in the Pool of Siloam”
(which means “Sent”). So the man went and washed, and came back seeing.
8
NLD
De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde?
BSB
BSB:
At this, his neighbors and those who had formerly seen him begging began to ask, “Isn’t this the man who used to sit and beg?”
9
NLD
Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het.
BSB
BSB:
Some claimed that he was, but others said, “No, he just looks like him.” But the man kept saying, “I am the one.”
10
NLD
Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de ogen geopend?
BSB
BSB:
“How then were your eyes opened?” they asked.
11
NLD
Hij antwoordde en zeide: De Mens, genaamd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijn ogen, en zeide tot mij: Ga heen naar het badwater Siloam, en was u. En ik ging heen, en wies mij, en ik werd ziende.
BSB
BSB:
He answered, “The man they call Jesus made some mud and anointed my eyes, and He told me to go to Siloam and wash. So I went and washed and received my sight.”
12
NLD
Zij dan zeiden tot hem: Waar is Die? Hij zeide: Ik weet het niet.
BSB
BSB:
“Where is He?” they asked. “I do not know,” he answered.
13
NLD
Zij brachten hem tot de Farizeen, hem namelijk, die te voren blind geweest was.
BSB
BSB:
They brought to the Pharisees the man who had been blind.
14
NLD
En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende.
BSB
BSB:
Now the day on which Jesus had made the mud and opened his eyes was a Sabbath.
15
NLD
De Farizeen dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was. En hij zeide tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, en ik wies mij, en ik zie.
BSB
BSB:
So the Pharisees also asked him how he had received his sight. The man answered, “He put mud on my eyes, and I washed, and now I can see.”
16
NLD
Sommigen dan uit de Farizeen zeiden: Deze Mens is van God niet, want Hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mens, die een zondaar is, zulke tekenen doen? En er was tweedracht onder hen.
BSB
BSB:
Because of this, some of the Pharisees said, “This man is not from God, for He does not keep the Sabbath.” But others said, “How can a sinful man perform such signs?” And there was division among them.
17
NLD
Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van Hem; dewijl Hij uw ogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een Profeet.
BSB
BSB:
So once again they asked the man who had been blind, “What do you say about Him, since it was your eyes He opened?” “He is a prophet,” the man replied.
18
NLD
De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was, en ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen, die ziende geworden was.
BSB
BSB:
The Jews still did not believe that the man had been blind and had received his sight until they summoned his parents
19
NLD
En zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, welken gij zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?
BSB
BSB:
and asked, “Is this your son, the one you say was born blind? So how is it that he can now see?”
20
NLD
Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is;
BSB
BSB:
His parents answered, “We know he is our son, and we know he was born blind.
21
NLD
Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven; hij zal van zichzelven spreken.
BSB
BSB:
But how he can now see or who opened his eyes, we do not know. Ask him. He is old enough to speak for himself.”
22
NLD
Dit zeiden zijn ouders, omdat zij de Joden vreesden; want de Joden hadden alrede te zamen een besluit gemaakt, zo iemand Hem beleed Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden.
BSB
BSB:
His parents said this because they were afraid of the Jews. For the Jews had already determined that anyone who confessed Jesus as the Christ would be put out of the synagogue.
23
NLD
Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven.
BSB
BSB:
That was why his parents said, “He is old enough. Ask him.”
24
NLD
Zij dan riepen voor de tweede maal den mens, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eer; wij weten, dat deze Mens een zondaar is.
BSB
BSB:
So a second time they called for the man who had been blind and said, “Give glory to God! We know that this man is a sinner.”
25
NLD
Hij dan antwoordde en zeide: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie.
BSB
BSB:
He answered, “Whether He is a sinner I do not know. There is one thing I do know: I was blind, but now I see!”
26
NLD
En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?
BSB
BSB:
“What did He do to you?” they asked. “How did He open your eyes?”
27
NLD
Hij antwoordde hun: Ik heb het u alrede gezegd, en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij het wederom horen? Wilt gijlieden ook Zijn discipelen worden?
BSB
BSB:
He replied, “I already told you, and you did not listen. Why do you want to hear it again? Do you also want to become His disciples?”
28
NLD
Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: Gij zijt Zijn discipel; maar wij zijn discipelen van Mozes.
BSB
BSB:
Then they heaped insults on him and said, “You are His disciple; we are disciples of Moses.
29
NLD
Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar Dezen weten wij niet, van waar Hij is.
BSB
BSB:
We know that God spoke to Moses, but we do not know where this man is from.”
30
NLD
De mens antwoordde, en zeide tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat gij niet weet, van waar Hij is, en nochtans heeft Hij mijn ogen geopend.
BSB
BSB:
“That is remarkable indeed!” the man said. “You do not know where He is from, and yet He opened my eyes.
31
NLD
En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, dien hoort Hij.
BSB
BSB:
We know that God does not listen to sinners, but He does listen to the one who worships Him and does His will.
32
NLD
Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen ogen geopend heeft.
BSB
BSB:
Never before has anyone heard of opening the eyes of a man born blind.
33
NLD
Indien Deze van God niet ware, Hij zou niets kunnen doen.
BSB
BSB:
If this man were not from God, He could do no such thing.”
34
NLD
Zij antwoordden, en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? En zij wierpen hem uit.
BSB
BSB:
They replied, “You were born in utter sin, and you are instructing us?” And they threw him out.
35
NLD
Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zeide Hij tot hem: Gelooft gij in den Zoon van God?
BSB
BSB:
When Jesus heard that they had thrown him out, He found the man and said,
“Do you believe in the Son of Man?”
36
NLD
Hij antwoordde en zeide: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem moge geloven?
BSB
BSB:
“Who is He, Sir?” he replied. “Tell me so that I may believe in Him.”
37
NLD
En Jezus zeide tot Hem: En gij hebt Hem gezien, en Die met u spreekt, Dezelve is het.
BSB
BSB:
“You have already seen Him,”
Jesus answered.
“He is the One speaking with you.”
38
NLD
En hij zeide: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem.
BSB
BSB:
“Lord, I believe,” he said. And he worshiped Jesus.
39
NLD
En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden.
BSB
BSB:
Then Jesus declared,
“For judgment I have come into this world, so that the blind may see and those who see may become blind.”
40
NLD
En dit hoorden enigen uit de Farizeen, die bij Hem waren, en zeiden tot Hem: Zijn wij dan ook blind?
BSB
BSB:
Some of the Pharisees who were with Him heard this, and they asked Him, “Are we blind too?”
41
NLD
Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; zo blijft dan uw zonde.
BSB
BSB:
“If you were blind,”
Jesus replied,
“you would not be guilty of sin. But since you claim you can see, your guilt remains.”
Chapter complete
You’ve read John 9
Chapter 9 of 21 in John
Up next
John 10
Read John 10
Listen
Back to John 8
Go deeper
Commentary
What the commentators say on John 9
A question this chapter raises
Did Jesus really do miracles?
NLD
Dutch Bible 1917 (1917). Public domain. Text from eBible.org.
BSB
The Holy Bible, Berean Standard Bible, BSB. Dedicated to the public domain. BereanBible.com
John 8
John 9
John 10