Opened
An initiative of The Kingdom Tribe (TKT)
Skip to content
Opened
Today
Ask
Read
Journey
More
Luke 20 (NLD) · Opened
Luke
Luke
20
NLD
BSB
A
a
Jesus
, person
David
, person
Caesar
, person
Moses
, person
John
, person
Jacob
, person
Abraham
, person
Isaac
, person
Dutch Bible 1917
Berean Standard Bible
1
NLD
En het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen,
BSB
BSB:
One day as Jesus was teaching the people in the temple courts and proclaiming the gospel, the chief priests and scribes, together with the elders, came up to Him.
2
NLD
En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven?
BSB
BSB:
“Tell us,” they said, “by what authority are You doing these things, and who gave You this authority?”
3
NLD
En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij:
BSB
BSB:
“I will also ask you a question,”
Jesus replied.
“Tell Me:
4
NLD
De doop van Johannes, was die uit den Hemel, of uit de mensen?
BSB
BSB:
John’s baptism—was it from heaven, or from men?”
5
NLD
En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?
BSB
BSB:
They deliberated among themselves and said, “If we say, ‘From heaven,’ He will ask, ‘Why did you not believe him?’
6
NLD
En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was.
BSB
BSB:
But if we say, ‘From men,’ all the people will stone us, for they are convinced that John was a prophet.”
7
NLD
En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was.
BSB
BSB:
So they answered that they did not know where it was from.
8
NLD
En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.
BSB
BSB:
And Jesus replied,
“Neither will I tell you by what authority I am doing these things.”
9
NLD
En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok een langen tijd buiten 's lands.
BSB
BSB:
Then He proceeded to tell the people this parable:
“A man planted a vineyard, rented it out to some tenants, and went away for a long time.
10
NLD
En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen.
BSB
BSB:
At harvest time, he sent a servant to the tenants to collect his share of the fruit of the vineyard. But the tenants beat the servant and sent him away empty-handed.
11
NLD
En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen.
BSB
BSB:
So he sent another servant, but they beat him and treated him shamefully, sending him away empty-handed.
12
NLD
En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit.
BSB
BSB:
Then he sent a third, but they wounded him and threw him out.
13
NLD
En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien.
BSB
BSB:
‘What shall I do?’ asked the owner of the vineyard. ‘I will send my beloved son. Perhaps they will respect him.’
14
NLD
Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde.
BSB
BSB:
But when the tenants saw the son, they discussed it among themselves and said, ‘This is the heir. Let us kill him, and the inheritance will be ours.’
15
NLD
En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?
BSB
BSB:
So they threw him out of the vineyard and killed him. What then will the owner of the vineyard do to them?
16
NLD
Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!
BSB
BSB:
He will come and kill those tenants and give the vineyard to others.”
And when the people heard this, they said, “May such a thing never happen!”
17
NLD
Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden?
BSB
BSB:
But Jesus looked directly at them and said,
“Then what is the meaning of that which is written: ‘The stone the builders rejected has become the cornerstone’?
18
NLD
Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.
BSB
BSB:
Everyone who falls on this stone will be broken to pieces, but he on whom it falls will be crushed.”
19
NLD
En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten te dierzelver ure de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.
BSB
BSB:
When the scribes and chief priests realized that Jesus had spoken this parable against them, they sought to arrest Him that very hour. But they were afraid of the people.
20
NLD
En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren.
BSB
BSB:
So they watched Him closely and sent spies who pretended to be sincere. They were hoping to catch Him in His words in order to hand Him over to the rule and authority of the governor.
21
NLD
En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid.
BSB
BSB:
“Teacher,” they inquired, “we know that You speak and teach correctly. You show no partiality but teach the way of God in accordance with the truth.
22
NLD
Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet?
BSB
BSB:
Is it lawful for us to pay taxes to Caesar or not?”
23
NLD
En Hij, hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij?
BSB
BSB:
But Jesus saw through their duplicity and said to them,
24
NLD
Toont Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Des keizers.
BSB
BSB:
“Show Me a denarius. Whose image and inscription are on it?”
“Caesar’s,” they answered.
25
NLD
En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.
BSB
BSB:
So Jesus told them,
“Give to Caesar what is Caesar’s, and to God what is God’s.”
26
NLD
En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.
BSB
BSB:
And they were unable to trap Him in His words before the people. And amazed at His answer, they fell silent.
27
NLD
En tot Hem kwamen sommigen der Sadduceen, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,
BSB
BSB:
Then some of the Sadducees, who say there is no resurrection, came to question Him.
28
NLD
Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal, en zijn broeder zaad verwekken.
BSB
BSB:
“Teacher,” they said, “Moses wrote for us that if a man’s brother dies and leaves a wife but no children, the man is to marry his brother’s widow and raise up offspring for him.
29
NLD
Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen.
BSB
BSB:
Now there were seven brothers. The first one married a wife but died childless.
30
NLD
En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen.
BSB
BSB:
Then the second
31
NLD
En de derde nam dezelve vrouw; en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven.
BSB
BSB:
and the third married the widow, and in the same way all seven died, leaving no children.
32
NLD
En ten laatste na allen stierf ook de vrouw.
BSB
BSB:
And last of all, the woman died.
33
NLD
In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad.
BSB
BSB:
So then, in the resurrection, whose wife will she be? For all seven were married to her.”
34
NLD
En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven;
BSB
BSB:
Jesus answered,
“The sons of this age marry and are given in marriage.
35
NLD
Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden;
BSB
BSB:
But those who are considered worthy to share in the age to come and in the resurrection from the dead will neither marry nor be given in marriage.
36
NLD
Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.
BSB
BSB:
In fact, they can no longer die, because they are like the angels. And since they are sons of the resurrection, they are sons of God.
37
NLD
En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs.
BSB
BSB:
Even Moses demonstrates that the dead are raised, in the passage about the burning bush. For he calls the Lord ‘the God of Abraham, the God of Isaac, and the God of Jacob.’
38
NLD
God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen.
BSB
BSB:
He is not the God of the dead, but of the living, for to Him all are alive.”
39
NLD
En sommigen der Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wel gezegd.
BSB
BSB:
Some of the scribes answered, “Teacher, You have spoken well!”
40
NLD
En zij durfden Hem niet meer iets vragen.
BSB
BSB:
And they did not dare to question Him any further.
41
NLD
En Hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is?
BSB
BSB:
Then Jesus declared,
“How can it be said that the Christ is the Son of David?
42
NLD
En David zelf zegt in het boek der psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand,
BSB
BSB:
For David himself says in the book of Psalms: ‘The Lord said to my Lord, “Sit at My right hand
43
NLD
Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
BSB
BSB:
until I make Your enemies a footstool for Your feet.”’
44
NLD
David dan noemt Hem zijn Heere; en hoe is Hij zijn Zoon?
BSB
BSB:
Thus David calls Him ‘Lord.’ So how can He be David’s son?”
45
NLD
En daar al het volk het hoorde, zeide Hij tot Zijn discipelen:
BSB
BSB:
In the hearing of all the people, Jesus said to His disciples,
46
NLD
Wacht u van de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange klederen, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;
BSB
BSB:
“Beware of the scribes. They like to walk around in long robes, and they love the greetings in the marketplaces, the chief seats in the synagogues, and the places of honor at banquets.
47
NLD
Die der weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.
BSB
BSB:
They defraud widows of their houses, and for a show make lengthy prayers. These men will receive greater condemnation.”
Chapter complete
You’ve read Luke 20
Chapter 20 of 24 in Luke
Up next
Luke 21
Read Luke 21
Listen
Back to Luke 19
Go deeper
Commentary
What the commentators say on Luke 20
Ask Opened AI
Ask anything about Luke 20
NLD
Dutch Bible 1917 (1917). Public domain. Text from eBible.org.
BSB
The Holy Bible, Berean Standard Bible, BSB. Dedicated to the public domain. BereanBible.com
Luke 19
Luke 20
Luke 21