Opened
An initiative of The Kingdom Tribe (TKT)
Skip to content
Today
Ask
Read
Journey
More
Luke 6 (NLD) · Opened
Luke
Luke
6
NLD
BSB
A
a
Jesus
, person
David
, person
Jerusalem
, place
Peter
, person
Judea
, place
Tyre
, place
John
, person
Sidon
, place
12 more
Dutch Bible 1917
Berean Standard Bible
1
NLD
En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.
BSB
BSB:
One Sabbath Jesus was passing through the grainfields, and His disciples began to pick the heads of grain, rub them in their hands, and eat them.
2
NLD
En sommigen der Farizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?
BSB
BSB:
But some of the Pharisees asked, “Why are you doing what is unlawful on the Sabbath?”
3
NLD
En Jezus, hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?
BSB
BSB:
Jesus replied,
“Have you not read what David did when he and his companions were hungry?
4
NLD
Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren.
BSB
BSB:
He entered the house of God, took the consecrated bread and gave it to his companions, and ate what is lawful only for the priests to eat.”
5
NLD
En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
BSB
BSB:
Then Jesus declared,
“The Son of Man is Lord of the Sabbath.”
6
NLD
En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.
BSB
BSB:
On another Sabbath Jesus entered the synagogue and was teaching, and a man was there whose right hand was withered.
7
NLD
En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden.
BSB
BSB:
Looking for a reason to accuse Jesus, the scribes and Pharisees were watching Him closely to see if He would heal on the Sabbath.
8
NLD
Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond over einde.
BSB
BSB:
But Jesus knew their thoughts and said to the man with the withered hand,
“Get up and stand among us.”
So he got up and stood there.
9
NLD
Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven?
BSB
BSB:
Then Jesus said to them,
“I ask you, which is lawful on the Sabbath: to do good or to do evil, to save life or to destroy it?”
10
NLD
En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
BSB
BSB:
And after looking around at all of them, He said to the man,
“Stretch out your hand.”
He did so, and it was restored.
11
NLD
En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.
BSB
BSB:
But the scribes and Pharisees were filled with rage and began to discuss with one another what they might do to Jesus.
12
NLD
En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God.
BSB
BSB:
In those days Jesus went out to the mountain to pray, and He spent the night in prayer to God.
13
NLD
En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
BSB
BSB:
When daylight came, He called His disciples to Him and chose twelve of them, whom He also designated as apostles:
14
NLD
Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus;
BSB
BSB:
Simon, whom He named Peter, and his brother Andrew; James and John; Philip and Bartholomew;
15
NLD
Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes;
BSB
BSB:
Matthew and Thomas; James son of Alphaeus and Simon called the Zealot;
16
NLD
Judas Jakobi, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
BSB
BSB:
Judas son of James, and Judas Iscariot, who became a traitor.
17
NLD
En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Judea en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon; (6:18) Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden,
BSB
BSB:
Then Jesus came down with them and stood on a level place. A large crowd of His disciples was there, along with a great number of people from all over Judea, Jerusalem, and the seacoast of Tyre and Sidon.
18
NLD
en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen.
BSB
BSB:
They had come to hear Him and to be healed of their diseases, and those troubled by unclean spirits were healed.
19
NLD
En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.
BSB
BSB:
The entire crowd was trying to touch Him, because power was coming from Him and healing them all.
20
NLD
En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.
BSB
BSB:
Looking up at His disciples, Jesus said:
“Blessed are you who are poor, for yours is the kingdom of God.
21
NLD
Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
BSB
BSB:
Blessed are you who hunger now, for you will be filled. Blessed are you who weep now, for you will laugh.
22
NLD
Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil.
BSB
BSB:
Blessed are you when people hate you, and when they exclude you and insult you and reject your name as evil because of the Son of Man.
23
NLD
Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.
BSB
BSB:
Rejoice in that day and leap for joy, because great is your reward in heaven. For their fathers treated the prophets in the same way.
24
NLD
Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost weg.
BSB
BSB:
But woe to you who are rich, for you have already received your comfort.
25
NLD
Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen.
BSB
BSB:
Woe to you who are well fed now, for you will hunger. Woe to you who laugh now, for you will mourn and weep.
26
NLD
Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden desgelijks den valsen profeten.
BSB
BSB:
Woe to you when all men speak well of you, for their fathers treated the false prophets in the same way.
27
NLD
Maar Ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.
BSB
BSB:
But to those of you who will listen, I say: Love your enemies, do good to those who hate you,
28
NLD
Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen.
BSB
BSB:
bless those who curse you, pray for those who mistreat you.
29
NLD
Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.
BSB
BSB:
If someone strikes you on one cheek, turn to him the other also. And if someone takes your cloak, do not withhold your tunic as well.
30
NLD
Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het uwe neemt, eist niet weder.
BSB
BSB:
Give to everyone who asks you, and if anyone takes what is yours, do not demand it back.
31
NLD
En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.
BSB
BSB:
Do to others as you would have them do to you.
32
NLD
En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.
BSB
BSB:
If you love those who love you, what credit is that to you? Even sinners love those who love them.
33
NLD
En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde.
BSB
BSB:
If you do good to those who do good to you, what credit is that to you? Even sinners do the same.
34
NLD
En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.
BSB
BSB:
And if you lend to those from whom you expect repayment, what credit is that to you? Even sinners lend to sinners, expecting to be repaid in full.
35
NLD
Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
BSB
BSB:
But love your enemies, do good to them, and lend to them, expecting nothing in return. Then your reward will be great, and you will be sons of the Most High; for He is kind to the ungrateful and wicked.
36
NLD
Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.
BSB
BSB:
Be merciful, just as your Father is merciful.
37
NLD
En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.
BSB
BSB:
Do not judge, and you will not be judged. Do not condemn, and you will not be condemned. Forgive, and you will be forgiven.
38
NLD
Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.
BSB
BSB:
Give, and it will be given to you. A good measure, pressed down, shaken together, and running over will be poured into your lap. For with the measure you use, it will be measured back to you.”
39
NLD
En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?
BSB
BSB:
Jesus also told them a parable:
“Can a blind man lead a blind man? Will they not both fall into a pit?
40
NLD
De discipel is niet boven zijn meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.
BSB
BSB:
A disciple is not above his teacher, but everyone who is fully trained will be like his teacher.
41
NLD
En wat ziet gij den splinter, die in uws broeders oog is, en den balk, die in uw eigen oog is, merkt gij niet?
BSB
BSB:
Why do you look at the speck in your brother’s eye but fail to notice the beam in your own eye?
42
NLD
Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik den splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk, die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde! doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders oog is.
BSB
BSB:
How can you say, ‘Brother, let me take the speck out of your eye,’ while you yourself fail to see the beam in your own eye? You hypocrite! First take the beam out of your own eye, and then you will see clearly to remove the speck from your brother’s eye.
43
NLD
Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt;
BSB
BSB:
No good tree bears bad fruit, nor does a bad tree bear good fruit.
44
NLD
Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen.
BSB
BSB:
For each tree is known by its own fruit. Indeed, figs are not gathered from thornbushes, nor grapes from brambles.
45
NLD
De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
BSB
BSB:
The good man brings good things out of the good treasure of his heart, and the evil man brings evil things out of the evil treasure of his heart. For out of the overflow of the heart the mouth speaks.
46
NLD
En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?
BSB
BSB:
Why do you call Me ‘Lord, Lord,’ but do not do what I say?
47
NLD
Een iegelijk, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en dezelve doet, Ik zal u tonen, wien hij gelijk is.
BSB
BSB:
I will show you what he is like who comes to Me and hears My words and acts on them:
48
NLD
Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fondament op een steenrots; als nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond.
BSB
BSB:
He is like a man building a house, who dug down deep and laid his foundation on the rock. When the flood came, the torrent crashed against that house but could not shake it, because it was well built.
49
NLD
Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot.
BSB
BSB:
But the one who hears My words and does not act on them is like a man who built his house on ground without a foundation. The torrent crashed against that house, and immediately it fell—and great was its destruction!”
Chapter complete
You’ve read Luke 6
Chapter 6 of 24 in Luke
Up next
Luke 7
Read Luke 7
Listen
Back to Luke 5
Go deeper
Commentary
What the commentators say on Luke 6
A question this chapter raises
Was Jesus wrong about Abiathar (Mark 2:26)?
NLD
Dutch Bible 1917 (1917). Public domain. Text from eBible.org.
BSB
The Holy Bible, Berean Standard Bible, BSB. Dedicated to the public domain. BereanBible.com
Luke 5
Luke 6
Luke 7