Opened
An initiative of The Kingdom Tribe (TKT)
Skip to content
Opened
Today
Ask
Read
Journey
More
John
John
4
NLD
BSB
A
a
Jesus
, person
Galilee
, place
Samaria
, place
Jacob
, person
Jerusalem
, place
Judea
, place
Joseph
, person
John
, person
3 more
Dutch Bible 1917
Berean Standard Bible
1
NLD
Als dan de Heere verstond, dat de Farizeen gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes;
BSB
BSB:
When Jesus realized that the Pharisees were aware He was gaining and baptizing more disciples than John
2
NLD
(Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen),
BSB
BSB:
(although it was not Jesus who baptized, but His disciples),
3
NLD
Zo verliet Hij Judea, en ging wederom heen naar Galilea.
BSB
BSB:
He left Judea and returned to Galilee.
4
NLD
En Hij moest door Samaria gaan.
BSB
BSB:
Now He had to pass through Samaria.
5
NLD
Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf.
BSB
BSB:
So He came to a town of Samaria called Sychar, near the plot of ground that Jacob had given to his son Joseph.
6
NLD
En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure.
BSB
BSB:
Since Jacob’s well was there, Jesus, weary from His journey, sat down by the well. It was about the sixth hour.
7
NLD
Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.
BSB
BSB:
When a Samaritan woman came to draw water, Jesus said to her,
“Give Me a drink.”
8
NLD
(Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden spijze kopen.)
BSB
BSB:
(His disciples had gone into the town to buy food.)
9
NLD
Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.
BSB
BSB:
“You are a Jew,” said the woman. “How can You ask for a drink from me, a Samaritan woman?” (For Jews do not associate with Samaritans.)
10
NLD
Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.
BSB
BSB:
Jesus answered,
“If you knew the gift of God and who is asking you for a drink, you would have asked Him, and He would have given you living water.”
11
NLD
De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water?
BSB
BSB:
“Sir,” the woman replied, “You have nothing to draw with and the well is deep. Where then will You get this living water?
12
NLD
Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee?
BSB
BSB:
Are You greater than our father Jacob, who gave us this well and drank from it himself, as did his sons and his livestock?”
13
NLD
Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten;
BSB
BSB:
Jesus said to her,
“Everyone who drinks this water will be thirsty again.
14
NLD
Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.
BSB
BSB:
But whoever drinks the water I give him will never thirst. Indeed, the water I give him will become in him a fount of water springing up to eternal life.”
15
NLD
De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.
BSB
BSB:
The woman said to Him, “Sir, give me this water so that I will not get thirsty and have to keep coming here to draw water.”
16
NLD
Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier.
BSB
BSB:
Jesus told her,
“Go, call your husband and come back.”
17
NLD
De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man.
BSB
BSB:
“I have no husband,” the woman replied. Jesus said to her,
“You are correct to say that you have no husband.
18
NLD
Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd.
BSB
BSB:
In fact, you have had five husbands, and the man you now have is not your husband. You have spoken truthfully.”
19
NLD
De vrouw zeide tot Hem: Heere, ik zie, dat Gij een profeet zijt.
BSB
BSB:
“Sir,” the woman said, “I see that You are a prophet.
20
NLD
Onze vaders hebben op dezen berg aangebeden; en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.
BSB
BSB:
Our fathers worshiped on this mountain, but you Jews say that the place where one must worship is in Jerusalem.”
21
NLD
Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden.
BSB
BSB:
“Believe Me, woman,”
Jesus replied,
“a time is coming when you will worship the Father neither on this mountain nor in Jerusalem.
22
NLD
Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden.
BSB
BSB:
You worship what you do not know; we worship what we do know, for salvation is from the Jews.
23
NLD
Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden.
BSB
BSB:
But a time is coming and has now come when the true worshipers will worship the Father in spirit and in truth, for the Father is seeking such as these to worship Him.
24
NLD
God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.
BSB
BSB:
God is Spirit, and His worshipers must worship Him in spirit and in truth.”
25
NLD
De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen.
BSB
BSB:
The woman said, “I know that Messiah” (called Christ) “is coming. When He comes, He will explain everything to us.”
26
NLD
Jezus zeide tot haar: Ik ben het, Die met u spreek.
BSB
BSB:
Jesus answered,
“I who speak to you am He.”
27
NLD
En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt Gij, of: Wat spreekt Gij met haar?
BSB
BSB:
Just then His disciples returned and were surprised that He was speaking with a woman. But no one asked Him, “What do You want from her?” or “Why are You talking with her?”
28
NLD
Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zeide tot de lieden:
BSB
BSB:
Then the woman left her water jar, went back into the town, and said to the people,
29
NLD
Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?
BSB
BSB:
“Come, see a man who told me everything I ever did. Could this be the Christ?”
30
NLD
Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem.
BSB
BSB:
So they left the town and made their way toward Jesus.
31
NLD
En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet.
BSB
BSB:
Meanwhile the disciples urged Him, “Rabbi, eat something.”
32
NLD
Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet.
BSB
BSB:
But He told them,
“I have food to eat that you know nothing about.”
33
NLD
Zo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft Hem iemand te eten gebracht?
BSB
BSB:
So the disciples asked one another, “Could someone have brought Him food?”
34
NLD
Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge.
BSB
BSB:
Jesus explained,
“My food is to do the will of Him who sent Me and to finish His work.
35
NLD
Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn alrede wit om te oogsten.
BSB
BSB:
Do you not say, ‘There are still four months until the harvest’? I tell you, lift up your eyes and look at the fields, for they are ripe for harvest.
36
NLD
En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te zamen verblijde, beide, die zaait en die maait.
BSB
BSB:
Already the reaper draws his wages and gathers a crop for eternal life, so that the sower and the reaper may rejoice together.
37
NLD
Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait.
BSB
BSB:
For in this case the saying ‘One sows and another reaps’ is true.
38
NLD
Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan.
BSB
BSB:
I sent you to reap what you have not worked for; others have done the hard work, and now you have taken up their labor.”
39
NLD
En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb.
BSB
BSB:
Many of the Samaritans from that town believed in Jesus because of the woman’s testimony, “He told me everything I ever did.”
40
NLD
Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef aldaar twee dagen.
BSB
BSB:
So when the Samaritans came to Him, they asked Him to stay with them, and He stayed two days.
41
NLD
En er geloofden er veel meer om Zijns woords wil;
BSB
BSB:
And many more believed because of His message.
42
NLD
En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.
BSB
BSB:
They said to the woman, “We now believe not only because of your words; we have heard for ourselves, and we know that this man truly is the Savior of the world.”
43
NLD
En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;
BSB
BSB:
After two days, Jesus left for Galilee.
44
NLD
Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft.
BSB
BSB:
Now He Himself had testified that a prophet has no honor in his own hometown.
45
NLD
Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileers, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan.
BSB
BSB:
Yet when He arrived, the Galileans welcomed Him. They had seen all the great things He had done in Jerusalem at the feast, for they had gone there as well.
46
NLD
Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum.
BSB
BSB:
So once again He came to Cana in Galilee, where He had turned the water into wine. And there was a royal official whose son lay sick at Capernaum.
47
NLD
Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.
BSB
BSB:
When he heard that Jesus had come from Judea to Galilee, he went and begged Him to come down and heal his son, who was about to die.
48
NLD
Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.
BSB
BSB:
Jesus said to him,
“Unless you people see signs and wonders, you will never believe.”
49
NLD
De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.
BSB
BSB:
“Sir,” the official said, “come down before my child dies.”
50
NLD
Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen.
BSB
BSB:
“Go,”
said Jesus.
“Your son will live.”
The man took Jesus at His word and departed.
51
NLD
En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft!
BSB
BSB:
And while he was still on the way, his servants met him with the news that his boy was alive.
52
NLD
Zo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts.
BSB
BSB:
So he inquired as to the hour when his son had recovered, and they told him, “The fever left him yesterday at the seventh hour.”
53
NLD
De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis.
BSB
BSB:
Then the father realized that this was the very hour in which Jesus had told him,
“Your son will live.”
And he and all his household believed.
54
NLD
Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was.
BSB
BSB:
This was now the second sign that Jesus performed after coming from Judea into Galilee.
Chapter complete
You’ve read John 4
Chapter 4 of 21 in John
Up next
John 5
Read John 5
Listen
Back to John 3
Go deeper
Commentary
What the commentators say on John 4
A question this chapter raises
Isn’t the New Testament antisemitic?
NLD
Dutch Bible 1917 (1917). Public domain. Text from eBible.org.
BSB
The Holy Bible, Berean Standard Bible, BSB. Dedicated to the public domain. BereanBible.com
John 3
John 4
John 5